Titel:  ” Door God gekend “, Psalm 139

Techniek: hout met glas mozaïek

Psalm 139 bezingt Gods grootheid op een wel heel bijzondere manier. Het is geen theologische verhandeling, maar een gebed tot God met de vraag om geheel en al gekend te worden. Het Hebreeuwse woord voor kennen is jada. Dit kennen is relationeel, als een persoonlijke verhouding. Met kennen wordt bedoeld: zich bekommeren over of het liefhebbend zorgen voor iemand. Nooit gaat het over verstandelijk kennen, het gaat om kennis waar het hart bij betrokken is.

Uit deze psalm spreekt een groot vertrouwen, en verwondering dat God op deze manier de mens nabij is. De dichter bezingt hoe God de mens omgeeft in alles wat hij doet en meemaakt. God als grond van het bestaan. God als grondtoon van het leven. God niet ver weg, juist heel dichtbij. God, die weet heeft van alles wat er speelt bij zijn schepselen, zijn mensen. God, die de mens omgeeft van begin tot einde. Niets ontgaat deze relationele God. Een mooi beeld, dat veel mensen geloofsvertrouwen geeft: je ten diepste gekend weten door de God die jou ooit heeft geschapen.

De oranje rode vorm is de verbeelding van de mens die door de SchepperGod als goed geschapen is. Deze wordt vastgehouden en omgeven door de dragende vorm eromheen die op de voorgrond treedt. Deze vorm kan verwijzen naar de baarmoeder waarvan in het hart van Psalm 139 geschreven staat: ‘U was het die mijn nieren vormde, die mij weefde in de buik van mijn moeder’ (vers 13, NBV). Zowel de baarmoeder als God zelf dragen de mens die tot ontwikkeling komt. Een mensenleven lang wordt de mens gedragen door God; de Eeuwige kent elk mens bij name. De oranje delen verwijzen naar de mens. De bijna ronde oranje vorm loopt uit op het licht. Aan het uiteinde wordt het lichter, dat wil zeggen: God houdt de mens niet op een beklemmende manier vast, maar zet de mens in de ruimte, om zich te ontwikkelen, om zijn en haar weg te zoeken. De mens die uit en voor het Licht geschapen is.

Een mensenleven is echter niet uit één stuk. Gaandeweg kan het zijn dat we onszelf of delen van onszelf verliezen, door wat we meemaken of doordat we afdwalen van onze ware bestemming. Er zijn delen van ons die we liever willen vergeten uit schaamte of pijn. Hoe troostvol is het dan dat God de mens als geheel – wat er ook gebeurt in het leven – kent en wil blijven kennen, en dat je er als geheel met al je goede, maar ook met je beschadigde kanten mag zijn.

Overal in het kunstwerk is een vormentaal van beweging te zien die vasthoudt en draagt, ook wanneer we verdwalen. God houdt altijd en overal vast als een betrouwbare liefdevolle God. Hoe donker het ook kan zijn in het leven, God staat niet toe dat het donker het laatste woord heeft. God laat ook in de donkerste plaatsen van onze levensreis niet los, God is nabij.